Persoon/N321
Geen bewerkingssamenvatting
Regel 1: Regel 1:
Geboren te Mortsel. Is een Nederlands schrijfster. Zij groeide op in Tilburg, studeerde in Amsterdam. Samen met haar man Anton van Oirschot betrok ze ook in 1967 het vervallen veertiende eeuwse kasteel Nemerlaer in Haaren, dat ze helemaal restaureerden. Haar man overleed in 2004, Sparla woont nog steeds op het slot dat ook opengesteld is voor publiek. Vos schreef kinderboeken, romans en gedichten, maar is vooral bekend vanwege haar kinderboeken. Vos nam het initiatief tot de artiestenprijs de Gouden Noot. Deze prijs werd in de vorm van een een speld uitgereikt tussen 1975 en 1980. Co-auteur: [[Persoon/-499905875|René Pullens]]
Geboren te Mortsel. Truus van Oirschot-Sparla een Nederlandse schrijfster. Ze groeide op in Tilburg en studeerde vervolgens in Amsterdam. In 1967 betrok ze samen met haar man Anton van Oirschot het vervallen veertiende-eeuwse kasteel Nemerlaer in Haaren, dat ze volledig restaureerden. Haar man overleed in 2004, maar Sparla woont nog steeds op het kasteel, dat ook open is voor publiek.
 
Van Oirschot-Sparla heeft kinderboeken, romans en gedichten geschreven, maar ze staat vooral bekend om haar kinderboeken. Ze nam het initiatief tot de artiestenprijs de Gouden Noot, die werd uitgereikt in de vorm van een speld tussen 1975 en 1980.
 
Co-auteur: [[Persoon/-499905875|René Pullens]]

Versie van 13 feb 2024 20:25

Geboren te Mortsel. Truus van Oirschot-Sparla een Nederlandse schrijfster. Ze groeide op in Tilburg en studeerde vervolgens in Amsterdam. In 1967 betrok ze samen met haar man Anton van Oirschot het vervallen veertiende-eeuwse kasteel Nemerlaer in Haaren, dat ze volledig restaureerden. Haar man overleed in 2004, maar Sparla woont nog steeds op het kasteel, dat ook open is voor publiek.

Van Oirschot-Sparla heeft kinderboeken, romans en gedichten geschreven, maar ze staat vooral bekend om haar kinderboeken. Ze nam het initiatief tot de artiestenprijs de Gouden Noot, die werd uitgereikt in de vorm van een speld tussen 1975 en 1980.

Co-auteur: René Pullens