Terwijl ik in mijn droom ten hemel was opgevoerd, meende ik een uitgestrekten hof te zien van ronden vorm, waarin alle heerlijke landschappen eener bovennatuurlijke wereld zich snel schenen te vormen. Hoe langer ik keek, hoe schooner het werd, en een kleine ster scheen er als de zon. Boomen en bloemen kwamen te voorschijn onder mijn blik en strekten zich naar mij uit, alsof zij bij mij bescherming zochten. Vogels vlogen er zingend rond, sommige trachtten de zon, die zij zagen, zoo dicht mogelijk te naderen. Andere levende schepselen begonnen zich te bewegen in de schaduw der bosschen en over het frissche, groene gras. Al de wonderdadige werking der natuur, zooals ons die op aarde bekend is, had opnieuw plaats op dit plekje, dat mij scheen toe te behooren, zoodat ik alles met zekere voldoening en ingenomenheid gadesloeg. Daar trof mij de gedachte, dat de plek nog schooner zijn zou, als menschen of engelen er woonden, en snel als het licht bereikte mij een fluisterende stem: Schep!
