Titel/16968

Ik stond alleen voor ’t tapijt, haalde de toverspreuk tevoorschijn en las hem hard op. Een seconde gebeurde er niets, en ik moet bekennen dat ik me haast opgelucht voelde. Wat ik had verwacht weet ik eigenlijk niet. Donder en bliksem misschien. Maar dat was er helemaal niet bij. Opijkend naar de ogen van de geest in het tapijt realiseerde ik me ineens dat ze echt leefden. Was ’t maar gaan donderen! Nu verrees plotseling de geest uit ’t tapijt voor mijn neus, zijn armen nog in de hoogte en die angstaanjagende uitdrukking op zijn gezicht. En gróót - goeie genade - wat was hij groot, wel om en nabij de twee meter! En als hij me nou eens een oplawaai geeft met een van die knuisten dacht ik bij mezelf... Voor Tim waren de wonderen de wereld nog niet uit. Gelukkig maar want hij kon best wat magische hulp gebruiken bij zijn tante Lucy die vond dat Tims dierbaarste vriend zijn hond Sam ’t huis uit moest. Abdoellah, duizend jaar oud, verandert Sam in een mens, zo valt hij beter in de smaak maar Sam blijft wel erg honds!