Een man wordt bestormd door beelden en flarden van herinneringen aan zijn kinderjaren en aan de korte tijd dat hij lesgaf op een middelbare school.
Relaties van velerlei aard; vooral die tot zijn vader, zijn oudere broer en diens vrouw, hebben invloed op hem gehad, maar hij lijkt niet ouder te worden. Het leven heeft hem onberoerd gelaten. Toch roepen de beelden een steeds dwingender vraag bij hem op: wat is de oorzaak van zijn vreemde ziekte die voor artsen, psychiaters en andere hulpverleners ongeneeslijk bleek?
Op ingenieuze wijze, in wisselend tijds- en verhaalperspectief, en met krachtige natuurbeelden die inspelen op de stemmingen van de hoofdpersoon, reconstrueert Jan Siebelink in Met afgewend hoofd een leven in afzijdigheid.
