Boek/5278

Hun beroemdheid ontlenen ‘De nachten van Bonaventura’ aan het feit dat de schepper van dit bizarre meesterwerkje van de zwarte romantiek, nachtelijke huiver en burgermanssatire zich achter het pseudoniem Bonaventura verborg (de oorspronkelijke titel van de tekst die in 1804 in een onbeduidend ‘Journal von neunen deutschen Original-Romanen’ verscheen, luidt ‘Nachtwachen. Von Bonaventura’) ­ en eigenlijk tot op de dag van vandaag verborgen is gebleven, al heeft de Duitse germanist Jost Schillemeit onlangs wel heel overtuigend ‘bewezen’ dat de schrijver van deze grimmig-grijnzende getuigenis van onvrede met de ‘valse wereld waar niets meer echt aan is’ de schrijvertheaterdirecteur uit Braunschweig Ernst August Friedrich Klingemann (1777-1831) geweest moet zijn. Maar op even goede gronden zijn Brentano, Friedrich von Schlegel, de filosoof Schelling, Jean Paul, E.T.A. Hoffmann, Friedrich Gottlob Wetzel voor de schrijver doorgegaan. ‘De nachten van Bonaventura’ is in alle opzichten een waardig voorloper van bijvoorbeeld de boeken van Gustav Meyrink, in wiens ‘Het groene gezicht’ maar ook ‘De golem’ diezelfde vermenging van satire en mysterie, van natuurmagie en duivelskunstenarij aan te treffen is. In zestien nachtwaken vertelt de dichter-nachtwaker Kreuzgang, een vondeling die vermoedt dat hij het kind is van de duivel en een zojuist gecanoniseerde heilige, wat hij op de wandelingen tijdens zijn nachtelijke arbeid ziet en meemaakt, in die absurde wereld die lijdt aan koude verstandelijkheid en waar maskers die het grote Niets verhullen aan de touwtjes trekken: de ‘nar’ geselt de dwaasheden van zijn omgeving, maar voelt zich, romantisch ‘verscheurd’, in zijn leven bedreigd. Kreuzgang buitelt van de ene bizarre situatie in de andere, vertelt tussendoor ook nog zijn eigen merkwaardig levensverhaal. De actualiteit van ‘De nachten van Bonaventura’ lift zowel in de ‘moderne’ vorm als in de thematiek van ‘rollenspel’ en ‘maskerade’, van verbeten zoeken naar de eigen identiteit.