Boek/464
Koen droomt ’s nachts dat hij de koning is van een kasteel op de maan. Patsy is zijn koningin. Hij kan haar naam nooit in één keer uitspreken, tot leedvermaak van Raf en zijn kornuiten. Wanneer Koen niet zingt, hakkelt hij. Na schooltijd vlucht hij naar de zolderkamer, bij z’n synthesiser, waaruit hij de mooiste liedjes tovert. Tot op een dag de maan niet meer aan de hemel verschijnt. Koen is er de put van in. Als op een koude nacht het raam van zijn kamer inzwiept, verandert heel zijn leven. Samen met Patsy duikt hij in een wervelend avontuur. Hij vindt de maan... Ze leren hun eigen eenzaamheid, vriendschap, verliefdheid en dromen met andere ogen zien.
