Evolutie is het immer voortgaande proces van geleidelijke ontwikkeling en verbetering van leefvormen. Als we kijken naar de planten- en dierenwereld van nu, als we het subtiele evenwicht ontdekken tussen vegetatie, planteneters en vleeseters, als we vol bewondering de vernuftige vorm van de apevoet bezien, de ingenieuze, dragende structuur van de wervelkolom van een giraf of het uitgekiende kleurpatroon op de huid van een pofadder, kunnen we ons nauwelijks voorstellen dat er nog iets te evalueren valt. Wat we zien, lijkt al volmaakt; een projectie van de evolutie in de toekomst schijnt welhaast onmogelijk. Een facet van de toekomstige ontwikkeling die het verschijnsel mens zal hebben op het evenwicht in de natuur. Het volgende, beknopte scenario lijkt dan ook zeer aannemelijk: de mens roeit een groot aantal thans al bedreigde plante- en diersoorten uit, verstoort op onvoorstelbare wijze het natuurlijke leefmilieu en sterft vervolgens ook zelf uit. Daarna herneemt de evolutie haar werk om de schade te herstellen en de opengevallen plaatsen op te vullen. De bouwstoffen waarvan de evolutie bij dit herstel gebruik zal kunnen maken, zullen bestaan uit soorten die ondanks of juist dankzij de mens konden gedijen en die zijn ondergang hebben overleefd. Beperken we ons tot de dierenwereld, dan zal het meestal gaan om soorten die de mens thans als ongedierte beschouwt. Het is immers veel waarschijnlijker dat deze soorten de mens zullen overleven dan de in sterke mate aangepaste en ingeteelde huisdiersoorten die de mens fokt om in zijn eigen behoeften te voorzien.

