De leerling en de magiër gaat over Will, een dertienjarige jongen die door de druïde Gwydion bij zijn pleegouders uit een rustig dorp in de heuvels wordt weggehaald om op een queeste te gaan. Het is een zoektocht naar de zogenaamde ‘strijdstenen’ die onder de grond verborgen liggen. In heel het Domein zijn door het feeënvolk namelijk stenen achtergelaten met bijzondere krachten; staande monolieten die zorgen voor een opbloeien van het land, maar ook stenen die oorlog en verderf zaaien. Gwydion heeft de hulp van Will nodig omdat alleen hij de vindplaats van deze stenen kan onthullen. Het tweetal maakt hiervoor gebruik van raadsels die in de strijdstenen zijn uitgehouwen in een magisch soort runenschrift: de Taal der Stenen. Carter ontwikkelde hiervoor een eigen taal uit dezelfde bronnen als waaruit de Keltische talen zijn ontstaan - ongeveer zoals J. R. R. Tolkien gebruikmaakte van het Oud-Germaans.

