De watertoren stak ongenaakbaar af tegen de sterrenhemel. Ik stond voor de eiken voordeur en keek langs de gevel omhoog. Als een onneembare vesting torende het gebouw dreigend boven me uit. Er was een intercom. Na twee keer aanbellen had ik mijn vinger een tijd lang op de bel gehouden. Er was niets te horen dat op enig leven duidde. Nergens licht. Ik besloot om het gebouw heen te lopen, maar struikelde en kon me nog net vastgrijpen aan een klimplant die langs de muur groeide. Takken en doorns schampten langs mijn wang toen ik met mijn hoofd tegen de muur sloeg en voorover viel. Er liep iets warms over mijn gezicht. Ik voelde iets kleverigs, likte aan mijn vingertoppen en proefde bloed, zocht naar een zakdoek en drukte die tegen mijn wang. Wat deed ik hier? Zo begint de zoektocht van Conrad naar zijn verdwenen moeder. Met hulp van Zaffira, een onweerstaanbare Russin, en zijn oom Andrew, die in een verbouwde watertoren in Tsjechië woont, ontdekt hij andere werelden.
