Boek/-1371713416

Op het stokje dat tussen de tralies was geklemd, zat een klein ventje. Een mannetje van zo’n twintig centimeter hoog. Het droeg een versleten broekje en een versleten hemd. Het had een slaapmutsje op zijn hoofd met een lange pluim eraan. Zijn haar was slordig, wit en lang en het had ook een lange, witte baard. Hoewel het dus verbluffend klein was, kon het toch een grote mond openzetten want, zodra het kereltje de keizer zag, riep het woedend uit: ‘Doe het deurtje open! Laat me gaan! Wat zijn dat toch voor manieren?’ ‘Zeg, hoor eens,’ zei Fong, ‘ik ben Klaas Vaak. Onthou dat goed!’ Klaas Vaak had een jutezak bij zich. Die stond op de vloer van de kooi. Hij maakte de zak open en haalde er een beetje zand uit. De keizer kwam met zijn hoofd dichterbij o m beter te kunnen zien wat Klaas Vaak deed. Klaas Vaak hield zijn hand, waarop het zand lag, vlak en blies er dan krachtig op...